Daar waar spreken stopt

Kernbegrippen uit het werk van Emmanuel Levinas

Leestijd ruim 9 minuten

We beschikken over een taal die steeds voor ons spreken gaat. Het werk van de filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995) is volgens kenners Joachim Duyndam en Marcel Poorthuis op die taal gebaseerd. De taal geeft het wezen weer van de ontmoeting tussen ‘ik’ en ‘de ander’. Vanuit de taal van dit wezen nemen Duyndam en Poorthuis ons in hun boek ‘Levinas’ mee naar een fascinerende theorie die in ons mens-zijn blijft. We raken in dit artikel aan begrippen zoals de ander, totalisering, transcendentie, het subject, het morele, de derde, vrijheid, asymmetrie, investituur en – last but not least – verantwoordelijkheid. Tenslotte staan we in deze bijdrage stil bij een erkenning van het anders-zijn als een grondbeginsel van haptonomie als een wetenschap en haptotherapie als een middel. We belichten de rol van de (hapto-)therapeut. Het laatste deel van dit artikel kan ook van toepassing zijn op andere wetenschappen en disciplines in de zorg buiten de haptonomie en de haptotherapie.

Door Leander Tijdhof

Ik en de ander

In de werken van filosoof Emmanuel Levinas gaat het om de oorsprong van dat wat moreel is. Steeds gaat het bij Levinas om de vraag waar een waarde vandaan komt of waar waarden vandaan komen. Volgens de filosoof ligt de oorsprong van onze waarden in onze ervaringen. Zo is een ervaring te zien als een onthulling van die waarden. De ervaring wordt opgedaan in de relatie tussen mijzelf, ik, en de ander.

Het lijkt misschien nu of ‘de mens’ het uitgangspunt van de denkwijze van Levinas is. Dit is niet helemaal juist. Raker is de stelling dat het uitgangspunt van het denken van Levinas ‘ik’ en ‘de ander’ is in relatie tot ons mens-zijn. Vanuit die relatie worden ervaringen opgedaan. In het gedachtengoed van Levinas wordt een meta-positie ten aanzien van die ervaringen nimmer ingenomen. We zien dus niet toe op de ervaring van de ander, zo stellen Duyndam en Poorthuis. Het vertrekpunt van het werk van Levinas blijft dus het subject.

In de relatie tussen ik en de ander ontstaan waarden die dat wat moreel is weergeven. Omdat de oorsprong van de moraal volgens Levinas gelegen is in de relatie die wij hebben met de ander gaat de filosoof ervan uit dat de werkelijkheid een morele basis kent. Omdat de fundering van de moraal in de werkelijkheid ligt is een zoektocht naar fundering in en van de moraal zelf overbodig. De moraal is een gegeven dat maar zelden door ons onderkend wordt in de relatie tussen ik en de ander en dat er altijd is.

Totalisering en transcendentie

Van alles wat we doen en ons overkomt is ieder van ons een middelpunt. Daarin maken wij onze wereld vanuit ons waarnemen, handelen en onze zingeving. Omdat wij dit zo doen is ieder totaliserend ten opzichte van de omgeving. We kunnen niet kiezen om totaliserend te zijn of niet. Totalisering is onvermijdelijk verbonden met het menselijke leven op deze planeet.

Alles wat zich buiten ons totaliseren bevindt is ‘het andere’. Met het andere wordt bedoeld wat transcendent is ten opzichte van elke totaliteit. Transcendentie houdt kortweg in dat wat ‘erbuiten’ staat of dat wat ‘overstijgend’ is. Het is dan ook de ander die zich buiten mijn totalisering bevindt. Het is dus ook de ander die transcendent is ten opzichte van mijn totaliseren.

Tussen mij als een subject en de transcendente ander bevindt zich volgens Levinas de oorsprong van het morele. Daaruit volgt dat wanneer wij beleven een ‘ik’ te zijn als een van nature totaliserend subject dit leidt tot ontmoetingen met de ander als een ander. Dit komt volgens Duyndam en Poorthuis terug in bijna al zijn werken.

Een subject is geen ‘zelf’ dat genietend in de wereld is voorafgaand aan een confrontatie met een ander. Het subject is aan die ander van meet af aan blootgesteld. Het subject is daarmee een sub-ject; dat wil zeggen een onderworpene. Daaruit volgt dat het subject een drager van de ander is. En daaruit volgt weer dat het gebouw van onze schepping op de schouders rust van het subject. Het subject, het ‘ik’, is dan ook degene die instaat voor het geheel.

Het morele ontstaat uit twee kanten. Enerzijds is daar het beroep van de ander dat mij bereikt. Anderzijds breek ik, het individu, mijn totaliteit open omdat ik mij wil openstellen voor de ander. Een scheiding tussen mij en de ander is volgens Levinas vergelijkbaar met die van tussen totaliteit en oneindigheid. Van de kant van de ander komt de scheiding van tussen mij en die ander alleen tot stand dankzij de transcendentie van de ander. De scheiding tussen mij en de ander, of tussen totaliteit en het oneindige, zal immer van twee zijden binnen de relatie komen.

Bevestiging van anders-zijn

Hoewel vaak gedacht dat mannen en vrouwen op elkaar een aanvulling zouden zijn is dit volgens Levinas niet het geval. Liefde en in het verlengde daarvan romantiek zijn niet gericht op eenwording. Die zijn alleen gericht op de bevestiging van elkaars anders-zijn.

In een bevestiging van het anders-zijn hoeft de ander een leegte in mij niet te vullen maar hij of zij blijft werkelijk anders. De ontdekking en erkenning dat de ander anders is dan het beeld dat ik heb gevormd wordt misschien als een teleurstelling in de romantische liefde ervaren. Maar ondanks die teleurstelling kan een weg vrijgemaakt worden voor een samengaan van erotiek en respect.

Derde voor ik en de ander

Het is meer dan een relatie tussen ik en de ander waardoor een samenleving wordt gekenmerkt. De meerwaarde van die relatie beschrijft Levinas als ‘de derde’. Met ‘de derde’ wordt gedoeld op een samenleving waarin wij als gelijken met elkaar om kunnen gaan. Het begrip is een gecompliceerde afgeleide van ‘ik’ en ‘de ander’. Volgens Duyndam en Poorthuis voegt een derde zich in de theorie van Levinas bij mij en de ander. Dankzij die derde kan ik mezelf realiseren dat ik voor de ander ben.

Samenleven is op te vatten als een verhouding tussen ‘vrijheid’ en ‘geen vrijheid’. Bij het samenleven gaat het volgens Levinas om de relatie tussen vrijheid enerzijds en anderzijds iets dat die vrijheid inperkt. Naar die inperking verwijst ook de door Levinas veelgebruikte term ‘gebod’.

Samenleving van ‘beklede’ vrijheid

Een vrije samenleving houdt een samenleving in waarin mensen vrij kunnen handelen waarvoor inwerking op een wil nodig is. Vrijheid houdt een zich niet laten inwerken op een wil in. Onder alle manieren van doen is inwerken op een wil echt handelen, zo stelt de filosoof. Het doen van een eenvoudige boodschap bij een bakker betekent dat ingewerkt wordt op de wil van die bakker om mij brood te verkopen. Handelen is immer een menselijk proces en dit betekent bij Levinas dat we indirect of direct in relatie met de ander staan.

Elk handelen is gebiedend naar de ander. Dit is een probleem in het besef van vrijheid die even broos als gevaarlijk is. Als er vrijheid voor mij is dan is die er per definitie niet voor de ander. Daaruit volgt dat de vrijheid van het individu de vrijheid van de samenleving immer teniet doet. Hoe een vrije samenleving van mensen mogelijk kan zijn ziet Emmanuel Levinas als een problematische vraag die nader uitgewerkt wordt.

Een nadere uitwerking geeft Levinas onder andere in zijn verdere definiëring van het begrip vrijheid. Want het zijn niet de individuele mensenrechten en de liberale vrijheidsgedachten en -belevingen maar het is de verantwoordelijkheid voor de ander die de basis vormt van de samenleving en de wetten die daarin gelden. Daarom is volgens Levinas onze vrijheid ‘bekleedt’ en dus leven wij in de samenleving in een ‘beklede’ vrijheid.

Asymmetrie en investituur

Een verantwoordelijkheid die vooraf gaat aan alles wat moreel kan heten duidt Levinas aan met het begrip ‘primaire verantwoordelijkheid’, zo noteren Duyndam en Poorthuis. Die verantwoordelijkheid is asymmetrisch. Het gaat er in de asymmetrie om dat ik steeds verantwoordelijk blijf voor de ander als de ander. Die verantwoordelijkheid houdt dus niet in dat een ander voor mij verantwoordelijk kan zijn. Ik en de ander zijn daarmee asymmetrisch dat wil zeggen ongelijk aan elkaar.

Omdat onze vrijheid wordt ingevuld door aanwezigheid van de ander heeft het begrip te maken met verantwoordelijkheid. Het invullen van de aanwezigheid wordt door Levinas aangeduid met de term ‘investituur’ van de ander. Behalve een vaak negatieve gebodskant komt in de investituur een uitnodiging naar voren. De uitnodiging tot het nemen danwel bekleden van de verantwoordelijkheid is steeds het effect van de ander als de ander. Daaruit volgt dat door de ander mijn natuurlijke vrijheid, die ik als totaliserend wezen heb, bekleedt is met verantwoordelijkheid. Mijn natuurlijke vrijheid verandert in een morele vrijheid. Dat die laatste vorm van vrijheid kan ontstaan volgt steeds op de uitnodiging van de ander.

Het is geen keuze om verantwoordelijk te zijn. Een zelfgegeven uitnodiging tot verantwoordelijk zijn is in de opvatting van Levinas geen daadwerkelijke uitnodiging. Of ik wil of niet; het is steeds de ander die mij verantwoordelijk maakt. Toch is de uitnodiging tot verantwoordelijkheid geen dwangbevel. Het hoort tot de verantwoordelijkheid van mij, het individu, om die op mijn manier waar te maken of geen gevolg aan de uitnodiging te geven. Toch kan ik nooit ontkennen dat er een beroep op het nemen van mijn verantwoordelijkheid is geweest.

Gezondheidszorg en haptonomie

We beschikken over een taal die vooraf gaat aan het spreken, zo brengt volgens Duyndam en Poorthuis de filosofie van Emmanuel Levinas aan het licht. Het is een taal die te maken heeft met lichamelijke verzorging, non-verbaliteit en aanraken. De twee laatstgenoemde aspecten zijn ontegenzeggelijk ook domeinen van de haptonomie als een wetenschap en de haptotherapie als een middel.

De fenomenologische analyses van Levinas die te maken hebben met nabijheid als een taal die vooraf gaat aan het gesproken woord erkennen steeds het anders zijn van de ander. Die raken ook volgens Duyndam en Poorthuis de essentie van de hulpverlening. De erkenning van het anders zijn van de ander zou weleens de diepste essentie van haptonomie en haptotherapie kunnen zijn. Het gaat steeds om de omgang met de ander in situaties waarin het gesproken woord niet toereikend is. Immer gaat het ook in haptonomie en haptotherapie om een aanwezigheid die een welsprekendheid kan bezitten die het gesproken woord ontbeert.

Het werk van Levinas gekoppeld aan de hulpverlening betekent volgens Duyndam en Poorthuis dat de relatie tussen patiënt of cliënt en (hapto-)therapeut geen eenrichtingsverkeer kan zijn. Hoewel strikt genomen ongelijk is de arts of de therapeut geen deskundige die een afhankelijke cliënt overgiet met deskundigheid. Gevolg van het werk van Emmanuel Levinas is dat de behandelaar geen toepasser van technieken is waarbij de persoon van de (hapto-)therapeut buiten schot zou kunnen blijven. Integendeel.

Met Levinas’ beroep op het ethische appèl van het gelaat van de ander tekent zich in en buiten het (hapto-)therapeutschap een oneindige verantwoordelijkheid af. Daaraan kan niemand zich onttrekken – dus ook een (hapto-)therapeut niet. Daaruit volgt dat de werkelijkheidservaring van de ontmoeting met de ander centraal staat. Omdat de ervaring van die ontmoeting van buitenaf op ons toekomt staat de ander steeds hoger dan ikzelf sta.

Literatuur

Joachim Duyndam, Marcel Poorthuis, ‘Levinas’, Lemniscaat, 2005.

Televisie-uitzending Levinas

France Guwy, ‘Jij die mij aanziet’, http://haptonomiehaptotherapie.com/2015/08/31/emmanuel-levinas-jij-die-mij-aanziet/, televisieproductie, Hilversum (IKON) 1986.

Annotatie

Drs. Leander P. Tijdhof, ‘Daar waar spreken stopt’, http://haptonomiehaptotherapie.com/2015/09/25/daar-waar-spreken-stopt/, Kennisweb haptonomie, Stichting Kenniscentrum Haptonomie Hapsis Utrecht (25 september 2015).

Advertenties