Bekoring van erkenning

Een samenvatting van ‘Het menselijk gelaat’ van Emmanuel Levinas ten behoeve van de haptonomie

Leestijd ruim 11 minuten

Hoewel ons tastvermogen zich kenmerkt door onbeholpenheid treft onze beweging enig doel. Emmanuel Levinas (1906 – 1995) beschrijft in zijn werk ‘Het menselijk gelaat’ (1969) wat contact tussen ‘mij’ en ‘de ander’ of ‘het andere’ met mij doet. Vanuit die treffende beschrijving neemt de filosoof ons mee naar het wezenlijke van respect, de positie van ons geweten en het begrip van oneindigheid. Zijn beschrijving van de samenleving als een soort optelsom van eenzaamheden kan zeker gedateerd worden genoemd. Toch is die beschrijving een bevestiging van zijn filosofie als een verdediging van de subjectiviteit en werd daarom kort in de samenvatting verwerkt. Levinas toont daarentegen volgens de samenvatter wel aan dat verlangen de zin van het leven is en dat beweging niet alleen in een communicatie met het gelaat plaatsvindt. Het gelaat is in zichzelf al een bezoek, een ontmoeting dat daarmee op zichzelf kan bestaan. Deze samenvatting is gemaakt met het oog op haptonomie als een wetenschap en haptotherapie en aanverwante disciplines in de bewegingswetenschappen als middelen. Misschien is het artikel ook bruikbaar voor andere doeleinden.

Door Leander Tijdhof

Ik spreek en begrijp

Mijn relaties met het andere of de ander vallen steeds samen in een ontmoeting. Voor die ontmoeting is de ander daarmee geen object van begrip voor mij waarmee ik later spreken kan. Daaruit volgt dat mijn begrijpen van een ander niet te scheiden is van het aanspreken van die ander. Daarbij gaat de rede niet vooraf aan taal. Taal heeft een grond in de relatie die voor het begrijpen ligt een daarmee de rede vormgeeft.

Alles wat enkel leeft heeft nooit weet van de uitwendige wereld omdat er afwezigheid van denken is. Zintuigen geven alleen hun gewaarwordingen. De zintuiglijkheid als een vorm van bewustzijn van dat wat leeft heeft niets met het denken te maken.

De tastzin is onbeholpen

Onze gebaren als een onderdeel van ons tastvermogen zijn altijd onbeholpen. Als ik een hand uitsteek om een stoel te pakken zal mijn jas kreuken. Met de stoel zal ik de vloer bekrassen. Omdat we steeds doen wat wij te doen hebben doen we ontelbare dingen die wij nooit hadden willen doen. Daardoor is elke daad nooit zuiver. Een gebrek aan zuiverheid ontstaat omdat er steeds sporen worden achtergelaten.

Om te komen tot contact met wat dan ook is ‘werk’ nodig. Contact kan alleen worden gevonden in een beweging buiten het eigene. Die beweging richt zich naar iets anders waarin het andere in het begin van elke beweging opgesloten ligt. Het werk, wat Levinas aanduidt met ‘Oeuvre’, houdt in dat de beweging vrij verloopt van het zelfde naar het andere terwijl die nooit tot het zelfde terugkeert. Dit gegeven maakt deze beweging naar het absoluut andere.

Beweging blijft niet blind

Ons lichaam voelt en wordt gevoeld. Wanneer het lichaam gevoeld wordt staat dat aan de kant van het subject. Maar het voelende lichaam bevindt zich aan de andere kant van objecten. Daardoor is ons denken niet verlamd, onze beweging blijft niet blind en schept nieuwe objecten. Ons lichaam verenigt de subjectiviteit van onze waarneming met de objectiviteit van de uitdrukking. Die uitdrukking draagt bij tot de totaliteit van ons zijn. Daarbij is de totaliteit geen entiteit die vaststaat maar die komt tot stand door een ordening en opbouw. De totaliteit betreft een culturele activiteit van mensen. Het zijn van de mens wordt dan ook in werken van kunstenaars opgelicht.

Het begrip totaliteit brengt mee dat spanningsvelden ontstaan tussen vrije wezens. Daarin kan een vrij wezen vat krijgen op een ander vrij wezen. Onrechtvaardigheid ontstaat in het schenden van de vrijheid van het ene vrije wezen door het andere vrije wezen. Maar wanneer vergeving onrecht afschaft, zoals in de liefde, kan er nimmer onrecht ontstaan.

Elk denken is een doen

In ons willen schuilt onrecht. Door het vermogen van het willen betwisten wij mensen iets dat een totaliteit vormt. Het vermogen heeft de wil niet in de macht maar is een speelbal van het lot dat aan die wil te boven gaat. Omdat de wil beschikt over de eigenschap zich van zichzelf af te kunnen scheiden ontstaat er geschiedenis. Dat de wil behalve voor zichzelf ook iets wil voor een ander draagt aan die geschiedenis bij.

Wanneer we denken dat de mens geschiedenis beoordelen kan dan stellen we ons achter het rationalisme. Dit begint met een reflecteren over zichzelf met de bedoeling om de andere ‘poëtische’ denkwijze in een verhouding te brengen tot iets wat absoluut zou zijn. Een proces van reflectie laat zich daarin echter niet vangen. De positie van het reflexieve subject is namelijk even poëtisch als die van de denker die denkt in objecten. Daaruit volgt dat elk denken poëtisch en vooral een ‘doen’ is.

De weg naar de verbinding

Onze band met de andere mens komt nooit stand aan de hand van een eerdere voorstelling van die mens voor we in contact zijn. De band met de ander valt samen met onze aanroeping van die ander die niet gepaard gaat met enige vorm van het begrijpen. Daarmee hoort de aanroeping van de ander tot religie. Daaruit volgt dat ons spreken hoort tot gebed.

Contact krijgt gestalte door waarneming. In die waarneming kan de receptiviteit van en de betekenisgeving aan die werkelijkheid worden onderscheiden. Onze ervaringen worden in die processen met metaforen bezield. Die worden beschouwd als een gebrek aan onze waarneming of als voortreffelijkheid (voor-treffelijkheid). In de voortreffelijkheid verwijst de metafoor over een gegeven heen. Daarmee ontstaan andere inhouden die buiten onze beperkte waarneming vallen. Daarin huist de transcendentie.

Transcendentie is gekoppeld aan verlangen en het verlangen meet als het ware de oneindigheid van het oneindige. Het menselijke begrip van de oneindigheid heeft ermee te maken dat steeds meer wordt gedacht dan er gedacht wordt.

Waarnemen tegen de horizon

Met een ander mens van aangezicht tot aangezicht staan betekent dat het doden van een ander niet mogelijk is. Tijdens het doden zal de ander niet in het gezicht worden gezien. Die ander zal alleen waargenomen worden tegen de horizon. Deze laatste beperkte waarneming wordt door Levinas de ‘bekoring van ontkenning’ genoemd.

De buiging voor het wezen

Het gelaat doet mij niet buigen voor een wet maar voor een wezen. De zintuiglijke tegenwoordigheid van het gelaat ontdoet zich van de zintuiglijke kenmerken om diegene door te laten die slechts naar zichzelf verwijst. Zo brengt het gelaat mij onder een gebod. Daarin huist de erkenning dat ik in staat ben om werk te verrichten. Het gebod dat ik ontvang zal een gebod zijn om hem die mij gebiedt te gebieden.

De tegenstand van het gelaat door de representatie van een andere werkelijkheid bestaat niet uit vijandigheid. De genoemde tegenstand gaat vooraf aan mijn vrijheid en brengt die op gang. Het gelaat behelst niet dat waaraan ik tegengesteld ben. Het gelaat stelt zich slechts tegenover mij. De tegenstand van het gelaat is vreedzaam.

Het gelaat bevat een zin uit zichzelf. Die zin wordt aangeduid met het woord ‘uitdrukking’. De uitdrukking geldt als een directe verhouding bij uitstek en is dus rechtstreekser dan onze intuïtie. Ook behelst de uitdrukking slechts een uitnodiging om met iemand met spreken en laat wat meegedeeld wordt en degene die meedeelt met elkaar samenvallen.

Geweten tussen mij en de ander

Het gelaat van de wezens is als een masker en zij ontberen identiteit. Een bewustzijn dat buiten zich treedt gebruikt taal om dit te kunnen doen. Maar de gebruikte woorden kunnen niet serieus worden genomen. In die communicatie met de taal is de innerlijkheid immers een bijverschijnsel geworden. Daaruit volgt dat niemand met zichzelf identiek kan zijn. Onze onderzoekingen verrichten we achter de gezichten die tot ons spreken.

Dingen kunnen ons treffen alsof we door de ander bezeten zijn. Daarom vertoont onze waarneming een gelaat. De dingen die mij kunnen treffen zijn aanvankelijk onafhankelijk omdat deze dingen mij niet toebehoren daar ik een betrekking heb met de mensen waarvan de dingen afkomstig zijn. Dit brengt de verhouding van mij tot de totaliteit in een verhouding van mij tot menselijke wezens waarvan ik het gelaat herken. In die verhouding schuilt ons morele bewustzijn of het geweten. Het is herkenning die zorgt voor het ontstaan van een totaliteit van wezens die buiten de totaliteit vallen. De morele voorwaarden van het denken in het bewustzijn vormen samen een economische rechtvaardigheid die, zoals beschreven, voor die totaliteit buiten de totaliteit zorgt.

De ander maakt mij oneindig

De ander doet zich aan mij gelden. De verhouding met de ander houdt in dat wij die ander willen begrijpen. Een verhouding met de ander gaat daarmee over ons begrijpen. Naast kennis over die ander spelen immers andere factoren in die verhouding een rol zoals sympathie en liefde. De ander komt dus niet slechts vanuit een horizon van een begrip op ons af. Daar komt meer bij kijken.

Het is de verhouding tot de ander die ons de ervaring geeft van de oneindigheid. In de sociale verhouding ligt die immer besloten. Door de uitwendigheid aan mij van het oneindige stuit ik op, zoals Levinas betitelt, de ‘absolute weerstand’ van de ander. Het andere wezen weet die weerstand te bieden aan alle vermogens die ik in me heb. De ander zegt een ‘nee’ tegen mij. In die weerstand huist ook het gebod ‘Gij zult niet doden’.

Oneindig maakt onvolmaakt

Wanneer het andere wezen, de ander met het gelaat, zich tegenover mij stelt met de onbedektheid, de naaktheid van oprecht weerloze ogen, ben ik niet meer bij machte om machtig te zijn. In het gelaat van de ander word ik bewust van mijn onrechtvaardigheid.

Het bewustzijn treedt indringend op als ik mijn hoofd buig voor de ander. Het is de ander die mij meet bij de verschijning aan mijzelf. Om bij het meten door de ander mijn onvolmaaktheid te kunnen zien moet ik van oneindigheid weet hebben. Door het idee van de oneindigheid wordt mijn kracht niet tegengehouden. De oneindigheid stelt alleen het naïeve recht van mijn vermogens in discussie.

In elke ontmoeting groet ik de ander. Ik groet ook bij een weigering te groeten. Ik, mens, hoor tot de wezens die niet kunnen ontmoeten zonder dat aan de ontmoeting uitdrukking wordt gegeven. In de ontmoeting ga ik immers altijd een betrekking aan met de ander.

Een gemeenzaamheid van eenzaamheden

Onze samenleving is in emotioneel opzicht gefundeerd door de liefde. Intersubjectiviteit houdt een ontkenning in van die samenleving omdat de volledige inhoud van de gemeenschap wordt bepaald door de ander. De liefdesgemeenschap is volgens Levinas een samenleving van twee. Die twee vormen een gemeenzaamheid van eenzaamheden die zich verzet tegen algemeenheid.

Uit het fundament van de liefde volgt een moraal in onze samenleving van eerbied en dus respect. Toch is het de liefde die de eerbied en het respect steeds blind maakt voor een derde. De gesloten samenleving is dan ook volgens Levinas slechts beperkt tot het paar.

Het verlangen is de zin

Door de ander stel ik mijzelf in discussie en het is de relatie die zich van mijzelf ontdoet. Dit gebeurt steeds opnieuw waardoor ik nieuwe mogelijkheden ontdekken kan. In dit proces is het verlangen als een fundamentele beweging de ‘zin’. Die zin kan alleen ontstaan in een wezen waaraan niets ontbreekt. De ‘absolute oriëntatie’, zoals Levinas deze zin van de socialiteit aanduidt, ontstaat boven alles van wat we tekort komen of waaraan we genoeg hebben. De zin behelst dan ook het verlangen waarin ik mijzelf terug kan vinden onder de ogen van de ander.

Gelaat wijst op gebrek en lijden

Het gelaat is het fenomeen waarin de ander tevoorschijn komt. De ander drukt zich uit in het gelaat en dringt zich dus door een eigen plastische essentie heen. Die manifestatie geldt als een overschot waaruit volgt dat het gelaat kan spreken. De manifestatie van het gelaat zelf geldt daarbij als een eerste spreken. Het spreken vormt in de essentie dan ook een opening in de openheid.

Het gelaat van de ander is van eigen beeld ontbloot. Het draagt dan ook geen ‘wereld’ in zich. Daarmee is het gelaat abstract of ‘naakt’. De naaktheid van het gelaat behelst een kaalheid zonder culturele tooi. Dit gegeven zorg ervoor dat het gelaat onze wereld binnenkomt uit een absoluut vreemde sfeer buiten een orde die voor ons herkenbaar is. Daaruit volgt dat uit de voor ons absolute naaktheid een gebrek spreekt en ons wijst op een lijden.

Het gelaat van de ander maakt met mij kennis via een smeken. Het smeken wordt door mij opgevat als een eis aan mij want naast mijn hoogheid voegt zich steeds mijn nederigheid. Het gelaat dringt zich op waarbij ik niet doof kan blijven voor het beroep dat het gelaat op mij doet. Omdat ik niet doof kan blijven voor het appèl van het gelaat volgt ook daaruit mijn oneindige verantwoordelijkheid voor de ander. Bovendien kan niemand in mijn plaats verantwoordelijk zijn.

Beweging in het gelaat

Door de komst van het gelaat van de ander komt mijn bewustzijn ter discussie. Met de absolute naaktheid van het gelaat wordt het absoluut andere door mij onthaald in mijn verbinding met oneindigheid. Het idee van oneindigheid staat gelijk met mijn verlangen. De ontmoeting met het gelaat van de ander komt niet voort uit mijn beweging naar dat gelaat omdat de beweging in het gelaat zelf is.

De beweging van het gelaat van de ander is een gegeven in het gelaat zelf. Het gelaat is in zichzelf al een bezoek. In die ontmoeting met zichzelf beschikt het gelaat over transcendentie. In de openheid van het naakte gelaat kan datzelfde gelaat op zichzelf bestaan.

Literatuur

Emmanuel Levinas, ‘Het menselijk gelaat’, Ambo / Baarn, 1987

Eerdere items

Drs. Leander P. Tijdhof, ‘Aanraken uit de leegte’, http://haptonomiehaptotherapie.com/2015/11/07/aanraken-uit-de-leegte/, Kennisweb haptonomie, Stichting Kenniscentrum Haptonomie Hapsis Utrecht (7 november 2015).

Drs. Leander P. Tijdhof, ‘Daar waar spreken stopt’, http://haptonomiehaptotherapie.com/2015/09/25/daar-waar-spreken-stopt/, Kennisweb haptonomie, Stichting Kenniscentrum Haptonomie Hapsis Utrecht (25 september 2015).

France Guwy, ‘Jij die mij aanziet’, http://haptonomiehaptotherapie.com/2015/08/31/emmanuel-levinas-jij-die-mij-aanziet/, televisieproductie, Hilversum (IKON) 1986.

Annotatie

Drs. Leander P. Tijdhof, ‘Bekoring van erkenning’, http://haptonomiehaptotherapie.com/2015/12/21/bekoring-van-erkenning/, Kennisweb haptonomie, Stichting Kenniscentrum Haptonomie Hapsis Utrecht (21 december 2015).

Advertenties